
Bijzonder boekje over de jaren 50 in Delfgauw
Actueel 1.603 keer gelezenDelfgauw - Vrouwen van nu hebben het maar gemakkelijk, zou je kunnen denken, bij het lezen van het boekje 'Dat was toen...' Je waant je in een andere tijd.
Zaterdag 11 juni verschijnt het boekje, getiteld: 'Dat was toen...', geschreven door de 81-jarige Corrie Ton-Meijer. Het handelt over het opgroeien in een groot gezin in Delfgauw (Post van der Burgstraat) in een periode van weinig luxe. Zelf kreeg de schrijfster niet de gelegenheid om de lagere school af te maken, want ze moest haar moeder helpen in het huishouden. De oudsten gingen al doorleren. En met dertien kinderen was er immers altijd wat te doen in huis.
Het autobiografische boek 'Dat was toen...' geeft de tijdgeest weer van de jaren 50 in een klein dorp, vaak op humoristische wijze verwoord. Tevens zijn er veel foto's van winkels / winkeliers uit Delfgauw van zo'n 60 jaar geleden geplaatst. Het boek begint overigens met 'het gewone leven' in de oorlog.
Het boek is vanaf zaterdagmiddag 11 juni te koop bij Het Moortje, Van Atten en Bruna voor 9,95 euro.
Compilatie anekdotes boek "Dat was toen…" door Corrie Ton Meijer.
Uit het hoofdstuk 'Schrik van onweer en brand':
Onweer
Ik ben bang voor onweer. Waarschijnlijk is die bangigheid er met de paplepel ingegoten. Ik was net twee jaar toen de bliksem insloeg in de oude boerderij en toen we later verhuisden, sloeg de bliksem in bij de buren.
Misschien dat de paniek die toen ontstond een grote indruk op mij maakte. De schrik zat er bij onze ouders toen ook wel goed in en vanaf die tijd als het 's nachts onweerde, werden we uit onze warme bedjes gehaald en naar de huiskamer gedirigeerd. Onze jassen moesten we over de stoel hangen en onze schoenen eronder. Dan op onze knietjes voor de stoel. Het rozenhoedje werd gebeden en de heilige Donatus aangeroepen om ons te besparen voor alle ongelukken.
Alle elektriciteit werd uitgezet en glimmende voorwerpen verstopt. In het donker ging mijn moeder naar de kelder waar wijwater stond en met een palmtakje ging ze zegenend het huis door. Op een nacht dat het vreselijk onweerde, lagen wij op onze knietjes. Moeder, die hoogzwanger was, wilde het huis zegenen. Daar stak mijn vader een stokje voor: ''Jij gaat in jouw toestand niet in het donker het huis door, dat doe ik wel.'' Even later horen we de zware voetstappen van vader door het huis gaan wat ons een veilig gevoel gaf. Hij had er kennelijk plezier in, want eenmaal in de huiskamer besprenkelde hij ons rijkelijk.
Ook dit onweer ging voorbij en we waren opgelucht dat er niets was gebeurd. Het licht ging weer aan, maar tot onze stomme verbazing hadden we plotseling allemaal de mazelen gekregen. Toen we weer bij onze positieven gekomen waren, zien we dat heel de kamer (en later ontdekken we zelfs heel het huis) onder de rode stippen zat. In plaats van wijwater waren wij en het huis kwistig met rode bessensap besprenkeld.
Uit het hoofdstuk 'Alledaagse leven en zorgen':
Onderbroeken
Op een dag kwam tante Sientje heel trots naar Delfgauw. Op de een of andere manier was ze aan linnen meelzakken gekomen: ''Kijk eens Marie, ik dacht dat is wat voor jou, kan je mooie onderbroeken voor de jongens van maken." Moeder keek bedenkelijk. De stof was grof en stug en er stond met grote blauwe letters 'meel' op. Omdat moeder niet gelijk reageerde, bedacht tante zelf een oplossing: ''Weet je wat Marie, ik neem ze weer mee en maak de onderbroeken wel." Moeder was te beleefd om te zeggen dat ze er niks in zag.
Als tante Sientje twee weken later trots de onderbroeken kwam brengen zijn de jongens nog op school. "Geeft niks", zei tante Sientje. Ze hoorde nog wel of ze goed zaten. De jongens moesten er aan geloven en bij thuiskomst de onderbroeken passen. Nog nooit hebben we zo gelachen. De broeken stonden niet alleen wijduit, maar ook een gulp ontbrak en allemaal hadden ze een paar letters op hun kont. Gelukkig heeft tante Sientje nooit gevraagd of ze kwamen showen.
Tante Sientje had een paar weken later nog een verrassing voor de jongens. De jongens moesten daarvoor naar haar toe. Ze woonde in de Kruisstraat in Delft. De jongens kwamen in de donkere kamer achter de melkwinkel en moesten broeken passen die tante Sientje gemaakt had. Het waren korte broeken; weer ontbrak de gulp en er zaten ook geen zakken in, de pijpen waren erg nauw en heel kort. Tot hun grote verdriet moesten ze die wel dragen van moeder wat hevige protesten tot gevolg had, want wat doe je als je buiten speelt en je moet hoog nodig? Tja, niet even tegen een boom, want iedereen ziet je blote billen. Ach, tante Sientje bedoelde het goed.
Uit het hoofdstuk 'De invloed van de kerk':
Handbal
Toen ik in 1951 hoorde dat Oliveo in Pijnacker een damesveldhandbalclub wilde oprichten, leek me dat een leuke sport. Ik gaf me op bij Wout van Overdam en hoorde dat ik de tweede was en hoopte dat er snel meer meisjes zich aan zouden melden. Na een week waren er genoeg om een elftal te beginnen plus een paar reserves. Wout van Overdam trainde ons. Dat heeft hij altijd geweldig gedaan. Streng maar rechtvaardig.
We mochten de eerste jaren niet in korte broek spelen, maar hadden rokbroeken aan tot over onze knieën. Het witte katoenen shirtje dat we eerst aanhadden was uit den boze. We moesten aan het werk en van dikke blauwe katoen een mouwloze trui breien en die over de shirtjes dragen met een witte in gebreide streep. Oliveo kleuren. Als we het warm hadden trokken we het shirt eronder uit en speelden alleen met de mouwloze trui. Maar ook dat was uit den boze.
Een dag na een wedstrijd moesten er drie van ons in tenue bij de pastoor komen. Wij hadden netjes shirt en trui aan, maar het shirt moest uit en wij moesten alleen met het truitje aan onze armen opzij houden, dan kon de pastoor zien of we geen inkijk hadden. De pastoor heeft ons vast horen lachen toen we uit de pastorie kwamen.
Uit het hoofdstuk 'Trouwen':
Kuisheid
Eenmaal ouder zouden mijn zussen en ik allemaal zelf bruid worden, nadat we eerst vaste verkering kregen en daarna verloofd waren. Met al die meiden in huis was het wachten op je beurt met het afscheid in de gang en als het te lang duurde werd er wel op de deur gebonsd. Was het niet je zus dan wel moeder, die er voor waakte dat het niet te lang duurde.
Een keer toen zus An en haar vriend Theo afscheid namen, was André zo leuk om een rode kool naar beneden te gooien die in een kist in de grote kast achter zijn bed lag. Als Aad op ziekenbezoek bij Ina langs wil komen, die met een behoorlijke griep en koorts tot aan haar neus onder de dekens lag, kreeg hij bij de gratie Gods toestemming even naar haar toe te gaan. Hij is nog maar net tien minuten boven of moeder riep onder aan de trap: ''Aad, kom je naar beneden, anders wordt de verleiding zo groot." Aad mopperde tegen ons: ''Ik had net de bovenste tree van de trap gehaald.'' Ja, moeder waakte over onze kuisheid en we zijn dan ook allemaal (netjes) getrouwd.

















