
PNV en Sportraad: “Stop de hoge belasting voor sportclubs!”
Politiek 1.325 keer gelezenDe fractie van Pijnacker-Nootdorp Vooruit (PNV) pikt het niet langer dat lokale sportverenigingen de hoofdprijs betalen aan onroerendezaakbelasting (OZB). Na een eerdere afwijzing door het college van B&W over een tariefverlaging, slaan de partij en de Sportraad Pijnacker-Nootdorp nu de handen ineen. Gezamenlijk presenteren zij keiharde bewijzen dat een lastenverlichting voor sportclubs wél mogelijk is.
De discussie over de OZB is nog lang niet gaan liggen. PNV verzocht het college eerder te onderzoeken of sportverenigingen met een eigen accommodatie, zoals een clubhuis, ontzien kunnen worden. Het college gaf echter aan dat dit juridisch en bestuurlijk onmogelijk zou zijn. Men schermde met het argument dat ‘maatschappelijke instellingen’ niet scherp te definiëren zijn en dat de impact op de gemeentebegroting onduidelijk is.
Lijsttrekker Nita Graafland reageert vastberaden: “Dat maatschappelijke instellingen niet scherp te formuleren zijn is natuurlijk onzin. Daar komt bij dat de sportverenigingen specifiek genoemd worden door de wetgever in de gemeentewet als zijnde instellingen die het sociaal belang behartigen. Sportverenigingen zijn het kloppend hart van onze dorpen, maar door de explosieve stijging van energiekosten en inflatie staan zij onder grote druk. Het is pijnlijk dat de gemeente hen dan ook nog eens belast als commercieel vastgoed. Mijn belofte aan de inwoners is helder: wij staan voor een beleid dat goed is voor nu, door clubs direct lucht te geven, en zeker voor later, zodat onze kinderen nog steeds ergens kunnen sporten. Samen vooruit betekent dat we onze vrijwilligers koesteren; zij zijn het fundament van onze gemeenschap, geen financiële sluitpost op de begroting.”
![]()
De fractie heeft goede contacten gelegd bij alle sportverenigingen.
De samenwerking legt feiten bloot. In nauwe samenwerking met PNV voerde de Sportraad een ‘Quickscan’ uit. De resultaten zijn kraakhelder: de vermeende juridische barrières blijken vooral een kwestie van politieke onwil. Uit de inventarisatie blijkt dat talloze gemeenten, zoals Súdwest-Fryslân en Lingewaard, sportaccommodaties al langere tijd succesvol ontzien op grond van de gemeentewet via hun OZB-verordening.
Drie concrete oplossingen kwamen naar voren, volledig ondersteund door PNV en nu bij het college op tafel gelegd: objectvrijstelling, waarbij sportterreinen volledig buiten de heffing blijven zoals in Súdwest-Fryslân; het ‘woningtarief’, waarbij sportaccommodaties onder het lagere tarief vallen, vergelijkbaar met Bergen; en een compensatiesubsidie, zoals al jaren succesvol gebeurt in Westland en Den Haag.
Voor PNV is de koers duidelijk: het argument van het college dat men niet weet om hoeveel verenigingen het gaat, is een zwaktebod. De bal ligt nu bij het college: kiest zij voor de ambtelijke status quo of voor het voortbestaan van onze lokale sportclubs? PNV is er wel uit.
















