God, paarden en plakband
Op een maandagochtend word ik gebeld door een woning.
Met het volgende: afgelopen nacht is één van onze bewoners opgenomen in het ziekenhuis. Hij ligt op de intensive care en we denken dat het fijn is als jij daar naartoe gaat om God te brengen.
Na beëindiging van het gesprek maak ik in mezelf het grapje: ik stap zo op de fiets naar het ziekenhuis, als ik God tegenkom, vraag ik of Hij mee wil rijden.
Onderweg naar het ziekenhuis houdt deze vraag mij bezig:
Hoe breng ik God op de IC?
Wellicht gewoon door er als Geestelijk Verzorgen te zijn, daar aan het bed. Te zijn in wat is en wat er komt?
Als ik al even aan het bed zit en een voor de bewoner bekend liedje zing, komt er een begeleider binnen.
Hij heeft een klein stapeltje papier onder de arm.
We stellen ons aan elkaar voor.
Het stapeltje papier zijn met zorg uitgescheurde posters van paarden. Paarden in bruin, wit en zelfs één met een veulentje. Ik zeg: wat mooi! Want ik weet dat de bewoner zo van paarden houdt. Ik hang de poster aan de televisie recht voor hem, zegt de begeleider.
Ik denk: hoe bevestigt hij de poster aan de televisie? En speur al om me heen naar een verloren rolletje leukoplast, die nog wel eens zwerven in ziekenhuiskamers. Dat is echter niet nodig. De begeleider heeft zich goed voorbereid: hij haalt uit zijn zak een rolletje plakband. Hij rolt er kleine stukjes af en plakt vervolgens het witte paard met veel zorg en nog meer liefde onder aan de televisie. Goed in het zicht van de bewoner die zo van paarden houdt...
Terug op de fiets stel ik mijzelf de vraag:
Hoe bracht ik God naar de IC? Maar ook, wie van ons bracht nu God naar de IC?
Eigenlijk denk ik dat God er al lang was.
Wellicht had God die ochtend Zich wel de vraag gesteld: Hoe krijg Ik een paardenposter op de IC?