Logo telstar-online.nl
<p>Krompootdoodgraver, een circa 2 centimeter lange aaskever. (foto: Peter Elfferich)</p>

Krompootdoodgraver, een circa 2 centimeter lange aaskever. (foto: Peter Elfferich)

Een val voor doodgravers

  •   keer gelezen   Actueel

Augustus is koel en vochtig. Naaktslakken vinden dat heerlijk weer en velen kruisen mijn pad. Dat herinnerde me aan een onderzoekje dat ik enkele jaren geleden uitvoerde.

Een dorpsgenoot vroeg me waarom ze zelden dode kleine dieren vond in haar tuin. Ik moest meteen denken aan doodgravers. Dat zijn aaskevers die dode diertjes begraven. Zouden die actief zijn in Pijnacker-Nootdorp? Enkele weken nadat de vraag was gesteld zag ik een krompootdoodgraver (Nicrophorus vespillo) tijdens nachtvlinderonderzoek in de Ackerdijkse Plassen. De kever was door de lampen naar het witte laken gelokt. Ze komen dus voor in de omgeving van Pijnacker, maar zouden ze ook in tuinen in de bebouwde kom leven?

Kort daarna raakte ik bij een receptie aan de praat met een bioloog die promotieonderzoek bleek te doen aan aaskevers. Hij vertelde dat doodgravers in tuinen voorkomen. Volgens hem waren vooral de zwarte doodgraver (Nicrophorus humator) en de gewone doodgraver (Nicrophorus vespilloides) te verwachten. Vervolgens legde hij uit hoe je een val kunt maken om aaskevers te vangen. Je neemt een potje met een plastic deksel. Daar doe je een laagje grond in en een stukje kippenlever. In het deksel maak je enkele gaten waar een flinke kever doorheen kan. Dan graaf je het potje in de grond. Het deksel moet net boven de grond uitsteken. Tussen april en augustus heb je de grootste kans om doodgravers te vangen, want in die periode zijn ze actief. De receptie vond plaats in augustus, dus ik moest snel zijn met vangpogingen. Een klein Nutella-potje was in een handomdraai gepromoveerd tot aaskeverval. Omdat het nogal regenachtig was maakte ik een afdakje boven de val van twee bakstenen en een plank. Het weer was niet ideaal om insecten te vangen, maar het viel te proberen. De eerste morgen controleerde ik de val. Er zaten kleine bruine naaktslakjes in en enkele vliegen. Elke dag bekeek ik het potje. Na een week was het stukje lever helemaal opgegeten door vliegenmaden en naaktslakjes.

Voor een tweede vangpoging deed ik verse grond en kippenlever in het potje. De volgende morgen zag ik dat een reusachtige oranje naaktslak zich door een gaatje van het deksel had gewurmd. Het dier smikkelde kalm van de lever, terwijl de achterste helft van het lijf uit het potje bungelde. Het zag er dwaas uit. ‘s Avonds hing de dikke slak aan de onderkant van het afdakje. De lever uit de val was op. Deze waarnemingen deden vermoeden dat bij vochtig weer vooral naaktslakken zorgen voor de snelle verdwijning van kleine dode dieren.

Meer berichten