Han Schmitz: integriteit Rechtbank bijna nul (deel 1)
<SCRIPT SRC="//secure.adnxs.com/ttj?id=5227763&cb=[CACHEBUSTER]&referrer=telstar-online.nl&pubclick=[INSERT_CLICK_TAG]&postcode=263,264" TYPE="text/javascript"></SCRIPT>
Logo telstar-online.nl
Het is dat het zo treurig is, anders zou Han Schmitz moeten lachen om de gang van zaken bij de rechtbank. Hij ervaart keer op keer dat zijn verhaal met tal van argumenten gewoon niet wordt gelezen. De Sociale Verzekerings Bank krijgt gewoon standaard gelijk.
Het is dat het zo treurig is, anders zou Han Schmitz moeten lachen om de gang van zaken bij de rechtbank. Hij ervaart keer op keer dat zijn verhaal met tal van argumenten gewoon niet wordt gelezen. De Sociale Verzekerings Bank krijgt gewoon standaard gelijk.

Han Schmitz: integriteit Rechtbank bijna nul (deel 1)

  •   919 keer gelezen   Actueel

De integriteit van de Nederlandse Rechtbank is tot bijna nul gedaald. Dat zegt Pijnackernaar ing. Han Schmitz. Na een eerste rechtszaak in 2017 over 'diefstal' van AOW door de Staat, wacht hij nu al twee jaar op behandeling van een hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De eerste rechter wees zijn bezwaar af en verwees daarbij naar enkele eerdere uitspraken van de CRvB. In de uitspraken over díe procedures zijn meerdere blunders geconstateerd. Han Schmitz doet in twee afleveringen zijn verhaal uit de doeken. 

Door: Han Schmitz

Een officieel bezwaar tegen de integriteit van de eerste zitting is door de president van de rechtbank doorgeschoven naar de rechters die het nu in hoger beroep moeten behandelen en dus moeten oordelen over hun collega-rechters. Hoe rechtvaardig is dat en hoe eerlijk kúnnen en willen 'mijn' hoger beroep-rechters zijn?

In de Telstar/Eendracht, de lokale krant van Pijnacker-Nootdorp, verscheen op 24 oktober 2019 een artikel van de hand van Sjaak Oudshoorn met als titel "Pijnackernaar stelt 'diefstal' AOW en pensioen aan de kaak". Ik ben die Pijnackernaar. Nog niet gelezen, ga naar 'telstar online.nl' en ga naar 24 oktober.

Kern van waar het om gaat is dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) één, drie of vier maanden AOW extra heeft ingehouden bij iedereen die 65 jaar is geworden in december 2013, november en december 2014 (allen één maand extra inhouding), oktober tot en met december 2015, juli tot en met december 2016, en april tot en met december 2017 (allen drie maanden extra), en iedereen in 2018, 2019 (allen vier maanden extra inhouding). Wie nog 65 moet worden wacht ook een extra inhouding van drie of vier maanden.

Ik noem deze extra inhoudingen 'diefstal' door de SVB. In totaal bedraagt die 'diefstal' nu - november 2019 - voor iedereen tezamen al een som van circa €1.25 miljard. In 2021 wordt dat circa € 2.5 miljard. Ik vind dit een vorm van onrecht en heb in 2015 een formeel bezwaar bij de SVB ingediend.

Bezwaar 
Het bezwaar bij de SVB werd met een onlogische 'verklaring' afgewezen. Daarop heb ik een rechtszaak aangespannen tegen de SVB.

In zo'n rechtszaak-procedure moest eerst een 'enkelvoudige kamer' met één rechter, zich uitspreken. Daarna rest dan nog één enkele optie, een hoger beroep. Meer beroep is niet mogelijk!Wat ik in de aangespannen rechtszaak aan rariteiten bij de Rechtbank allemaal ben tegengekomen, deed mij de wenkbrauwen fronsen. Mijn vertrouwen in het instituut 'Rechtbank' is daardoor tot een zeer laag niveau gedaald.

In dit artikel wil ik uitleggen waarom ik mij verbaas en erger over de rechterlijke procedure en de slordigheden en blunders van meerdere rechters, zodat iedereen een beeld krijgt van hoe zo'n procedure gaat. Mijn doel is om de zaak aan de kaak te stellen en ik hoop dat mensen alerter zijn als ze zelf ooit met rechtbanken te maken krijgen. Oordeel zelf of de rechtbank nog integer genoemd kan worden.

De oorzaak 
Op 5 oktober 2015 kreeg ik van de SVB het bericht dat ik mijn eerste AOW zou krijgen in mei 2016. Dat was drie maanden later dan ik volgens de AOW-wet zou verwachten. Bezwaar moet binnen zes weken worden ingediend, anders vervalt het bezwaarrecht. Overigens wordt dit niet door de SVB in de brief vermeld.

Hierop heb ik de dag erna een formeel bezwaarschrift ingediend bij de SVB. De SVB zou binnen zes weken op het bezwaar moeten reageren. Eind november 2015 kreeg ik bij navraag te horen "dat er iets fout was gegaan bij de verdeling" en dat er een brief zou komen over "aanhouden van de klacht omdat de SVB moet wachten op een beslissing van de hoogste rechter". Ok, dacht ik, kan gebeuren.

Hierna bleef het stil. Half oktober 2016, dus ruim een jaar na mijn bezwaar, ben ik gaan bellen waar het antwoord van de SVB bleef. Men bleek mijn bezwaar niet te kunnen vinden. Een paar dagen later had men het bezwaar weer boven tafel. Lag in iemands la.

Via een ingeschakelde advocaat kreeg ik te horen 'dat de behandelaren van de bezwaarprocedures - er waren er klaarblijkelijk meer - nog in afwachting waren van instructies hoe daar mee om te gaan.

Meer kon de behandelaar mijn advocaat niet vertellen.

Naar later bleek, waren uitspraken in die andere procedures al in mei (!) 2016 gedaan. Daarover verderop meer.

Begin november 2016 had ik lang genoeg had gewacht en vroeg ik mijn advocaat de SVB te sommeren met een uitspraak te komen. Het duurde tien weken voordat die uitspraak er eindelijk was.

Mijn formele bezwaar werd door de SVB afgewezen met een twijfelachtige verantwoording.

De SVB baseert haar antwoord op een tabel in de Memorie van Toelichting (MvT) van de AOW-wet 2014 met in die tabel in de laatste kolom een serie geboortedata. De SVB hanteert díe kolom met geboortedata als 'leidend' bij het bepalen wie wanneer zijn eerste AOW krijgt.

Formeel is de wet leidend, maar daar lijkt de SVB zich niets van aan te trekken. Die hanteert de geboortedata die verder nergens in de AOW-wet worden vermeld. Die kolom met geboortedata blijkt zeer discutabel en voor meerderlei uitleg vatbaar. Hierop ben ik via de advocaat met een rechtszaak gestart.

Eerste rechtszitting 
Zo’n eerste rechtszaak over een AOW-geschil met de overheid valt onder 'Bestuursrecht'. Binnen dergelijke rechtspraak wordt een eerste procedure behandeld door een enkelvoudige rechtbank met één rechter. Daarna kan slechts één keer (!) een hoger beroep procedure worden gestart. Als de eerste rechter zijn of haar werk niet goed doet, heb je dus nog maar één kans over om je gelijk te krijgen.

Het is algemeen bekend, zeker ook gezien de lange wachtentijden, dat de werkdruk onder de rechters erg hoog is. Maar dat mag nooit een excuus zijn om een zaak maar af te raffelen.Voor mijn rechtszaak heb ik een groot aantal argumenten aangevoerd – in totaal elf pagina’s - met mijns inziens enkele honderd procent duidelijke bewijzen. Eén van die argumenten, dat in 2009 is vastgelegd, is: "Voor de vaststelling van de AOW-gerechtigde leeftijd is bepalend in welk jaar men 65 jaar wordt." … "Dit is het ijkpunt voor de verhoging van de AOW-leeftijd." Dit standpunt is in alle Kamerverslagen daarna niet verlaten. Ik werd 65 in november 2015 en bij 2015 zegt de Wet: "De pensioengerechtigde leeftijd is …

2015: 65 jaar en drie maanden." De SVB echter maakte daar 65 jaar en zes maanden van. Drie maanden extra inhouding van mijn AOW dus. Voor mij stond vast dat de SVB de wet verkeerd interpreteert.

Brief 
Kort vóór de eerste rechtszitting ontving ik een brief van de aangewezen rechter, mw. mr. B. Hammer. Zij meldde:"Ik ben de stukken bestudeerd en ben van oordeel dat een zitting achterwege kan blijven." Of ik maar even wilde aangeven of ik daarmee akkoord ging. Meer stond er niet in! Hier ging ik (uiteraard) niet mee akkoord.

Bij aanvang van de eerste zitting die dertig minuten zou duren kreeg ik te horen dat ik vijf minuten spreektijd had! En dat voor beoordeling van structurele fouten in de AOW-wet, waar tot 2021 meer dan een miljoen mensen de dupe van zouden worden met als totaal 'diefstalbedrag' circa € 2.5 miljard.

Geluidsopnames maken in de rechtbank is niet toegestaan. Er was een griffier die het verloop van de zitting zou vastleggen. Alleen, daarin zijn verschillende fouten gemaakt, al wist ik dat toen nog niet.

Uiteindelijk heb ik in circa vijftien minuten mondeling de belangrijkste punten aan de rechter toegelicht. Daarna mocht de SVB haar zegje doen. Die kwam niet verder dan verwijzen naar de genoemde betwiste tabel uit de MvT. De rechter zei niets, vroeg niets, niet aan mij en ook niet aan de SVB. Acht weken later lag de uitspraak in de bus. Afgewezen!

Eerlijk? 
Hoe eerlijk was die uitspraak? In de tekst van de uitspraak stonden aanhalingen van wat de griffier had genoteerd. Die waren al onvolledig opgeschreven door de griffier en de rechter interpreteerde díe tekst ook nog eens verkeerd! Een geluidsopname had dit kunnen voorkomen.

In de uitspraak stonden twee verwijzingen naar eerdere uitspraken van andere CRvB-rechters over enkele andere aspecten van de AOW-wet dan die ik aangeklaagd had. Die verwijzingen waren: ECLI:NL:CRVB:2016:2613 en ECLI:NL:CRVB:2016:2609, beide van 18 juli 2016. Voor wie de taaie stof wil lezen, deze zijn te vinden op www.uitspraken.nl.

Het gegeven dat in mijn uitspraak ineens twee verwijzingen werden vermeld verbaasde mij. ALS de rechter vóór de rechtzitting mijn stukken had bestudeerd, en "tot een uitspraak zonder zitting kon komen", dan wist zij toen al dat zij mijn beroep zou afwijzen. Toen wist zij dús ook al dat zij zou gaan verwijzen naar de twee genoemde uitspraken.

Waarom heeft zij die verwijzingen voor mij verzwegen in de brief over de uitspraak zonder zitting?

Had zij die verwijzingen wèl vermeld in het verzoek om schriftelijke behandeling, dan had ik in de eerste rechtzitting daarop kunnen reageren. Niets heeft de rechter inhoudelijk gevraagd over mijn argumenten. Geen enkele van mijn argumenten is in de uitspraak door de rechter mevrouw mr. Hammer tegengesproken of weerlegd. Ook niet door de SVB. Ook niet over mijn honderd procent valide argumenten!

Maar het betwiste kul-argument van de SVB is door haar wèl zonder enige kanttekening geaccepteerd als de enig juiste uitleg. Op de even zo valide uitleg die ik aan de betreffende kolom uit de SVB-geboortedata-tabel heb gegeven, is de rechter helemaal niet ingegaan.

Mijn bezwaar tegen de SVB was dus, zoals gezegd, afgewezen. Weg eerste kans om mijn gelijk te krijgen.

Vooral de onlogische inhoud van de uitspraak en het klakkeloos goedkeuren, zónder enige verklaring van het standpunt van de SVB, gaf mij het gevoel dat dit vooraf al was besloten. Mijn vermoeden is dat de rechter mijn elf pagina’s lange pleitnotitie, met vier bijlagen, nooit heeft bestudeerd. Anders had ze …

- vragen kunnen en mòeten stellen aan de SVB en vooral over hoe de SVB mijn diverse honderd procent valide argumenten dacht te weerleggen. 

- moeten ingaan op enkele andere van mijn overtuigende argumenten. Zoals dat de tekst van de AOW-wet, artikel 7a onvolledig is.

- kunnen en moeten opmerken dat de SVB (die óók mijn pleitnotitie met bijlagen had ontvangen) nooit op ook maar één van mijn argumenten heeft gereageerd!

Niets van dit alles. De rechter heeft niets gezegd, niets gevraagd. Niet aan mij, niet aan de SVB. Dat geeft op z'n minst toch te denken.

Opvallend is ook dat de SVB, die in de genoemde uitspraken van 18 juli 2016 zelf de aangevallen partij was, in díe rechtszaken in het gelijk is gesteld. Dan is het toch ook vreemd dat de SVB zelf niet het fatsoen heeft gehad mij in te lichten over die uitspraken?

Zelfs in de afwijzing van mijn bezwaar in 2017 hebben zij dit niet vermeld, terwijl dat toch wel relevant was. Ook ter zitting hebben zij er niets over gezegd. Logisch, want zij wisten waarschijnlijk al dat zij ook door de rechter, mevrouw mr. Hammer, in het gelijk gesteld zouden worden.

Hoger beroep en klacht 
Kort na de eerste uitspraak heb ik 'hoger beroep' aangetekend. Dat moet binnen zes weken na de uitspraak gebeuren, anders vervalt de enige optie die je dan nog over hebt om via de rechtbank nog je gelijk te krijgen.

Ook heb ik op 18 december 2017 een acht pagina’s tellende klacht geschreven en - volgens de regels - ingediend bij het bestuur van de rechtbank. Daarin heb ik mij beklaagd over de wijze waarop de eerste rechtszitting heeft plaatsgevonden en de uiterst gebrekkige argumentatie van de Rechtbank Den Haag.

Op 9 maart 2018 heeft de Rechtbank een kort antwoord gestuurd, ondertekend door de President van de rechtbank, mr. M.A. van de Laarschot. Opvallend is dat de wettelijke antwoord-termijn op een klacht, formeel vastgelegd in de wet als zes weken, zonder enig bericht met zes weken is overschreden. Als een burger iets na de formele zes weken termijn inlevert, aanvraagt of betaalt, dan is hij de Sjaak.

Je rechten vervallen of worden gekort. Of je krijgt boete. Er zijn binnen de rechtspraak vele voorbeelden te vinden, waarbij een beroep of bezwaar door de CRvB 'niet ontvankelijk' is verklaard om reden van te late indiening.

Maar die zes weken termijn geldt blijkbaar niet voor de President van de rechtbank. Die volstaat met de zin: "De afhandeling van uw brief heeft helaas langer geduurd dan gebruikelijk en daarvoor bied ik u mijn excuses aan."

Mijn klacht jegens rechter mw. mr. B. Hammer ging niet over de inhoud of over de procedures rond een rechtszaak, maar over de integriteit van de rechtbank. Uit het antwoord van mr. Van de Laarschot blijkt dat hij òf de intentie van de klacht niet heeft begrepen, òf geen zin had de klacht zelf in behandeling te nemen. "Ik heb begrepen dat u in deze zaak hoger beroep heeft ingesteld. Uw klacht kan ik daarom niet in behandeling nemen."

Integriteit 'Rechtbank'
Alle burgers hebben recht op een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Dit is zo vastgelegd in Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Vanaf 2010 is de politiek al aan het steggelen om dit ook in de Nederlandse Grondwet vast te leggen, maar is dit (eind 2019) nog altijd niet opgenomen in de Grondwet.

Met mijn klacht over de eerste rechtszitting heb ik getracht aan te geven bij de Rechtbank dat ik bij dat 'eerlijk proces' de nodige vraagtekens heb. Ik had zeker niet het gevoel dat ik tijdens de eerste zitting een eerlijk proces heb gekregen.

Met andere woorden, ik had mijn twijfels over de integriteit en onafhankelijkheid van de betrokken rechter, zeker gezien het feit dat de rechter helemaal niets had gevraagd of gezegd, en de fouten die waren gemaakt in de uitspraak. De opstelling van de president, mr. Van de Laarschot, vind ik ook héél vreemd.

Het betekent ook dat de drie rechters die in de toekomst mijn 'hoger beroep' moeten gaan behandelen, mijn klacht moeten beantwoorden.

De Afdeling Bestuursrechtspraak is de hoogste algemene bestuursrechter in Nederland. Zij doet uitspraken over geschillen tussen burgers en de overheid, maar ook over geschillen tussen overheden onderling. Waarom is mijn klacht niet dáárheen gegaan?

Er ontstaat nu een heel rare en nare situatie. Rechter mevrouw Hammer, heeft in de eerste rechtszaak verwezen naar de twee eerder genoemde uitspraken. Die twee uitspraken zijn gedaan door CRvB-rechters mr. M.M. van der Kade als voorzitter, mr. H.J. Simon en mr. E.E.V. Lenos als leden.

De uitspraken van deze rechters zijn fout, fout, fout. De blunders hierin zal ik verderop toelichten. Ondertussen zijn er nog zo’n twintig andere CRvB-rechters die net als mevrouw Hammer hebben verwezen naar de genoemde uitspraken van mr. van der Kade en anderen. De drie rechters van de CRvB moeten nu in 'míjn' hoger beroep rechtszaak gaan oordelen over de werkwijze van collega-rechters.

Met andere woorden, 'mijn' drie rechters moeten de rechtszaken van twintig of meer collega-rechters ongeldig gaan verklaren. Gezien de blunders kan dat haast niet anders.

Zij zullen daar binnen de groep van vakbroeders, CRvB-rechters cq het instituut Rechtbank, bepaald geen vrienden mee maken. De kans dat 'mijn' drie rechters de meer dan twintig CRvB-collega-rechters terecht zullen wijzen is nagenoeg nul! Hoeveel gelijk ik ook heb, ik zal het niet krijgen.

Daar komt ook nog een ander aspect bij. Rechters zijn ambtenaren, die betaald worden via het ministerie van Justitie. De Rijksoverheid betaalt indirect hun salaris. En laat mijn zaak nu gaan over een diefstal van AOW-rechten door diezelfde overheid.

Mij gelijk geven betekent dat de overheid nu al circa € 1.25 miljard zou moeten teruggeven aan de rechthebbenden en als ze mijn rechtszaak nog verder rekken tot 2021 wordt dat € 2.5 miljard. Hier zullen Rutte, Koolmees (minister SZW) en overigen ook niet blij mee zijn. Dus ook vanuit die hoek zullen 'mijn' drie rechters boos worden aangekeken als ze mij gelijk geven.

 Volgende week deel 2 van Integriteit Rechtbank bijna nul: hoe rechters finaal de fout in gaan… 


<SCRIPT SRC="//secure.adnxs.com/ttj?id=5227763&cb=[CACHEBUSTER]&referrer=telstar-online.nl&pubclick=[INSERT_CLICK_TAG]&postcode=263,264" TYPE="text/javascript"></SCRIPT>
Meer berichten
<SCRIPT SRC="//secure.adnxs.com/ttj?id=9767773&size=160x600&promo_sizes=120x600&cb=[CACHEBUSTER]&promo_alignment=center&referrer=telstar-online.nl&pubclick=[INSERT_CLICK_TAG]&postcode=263,264" TYPE="text/javascript"></SCRIPT>
<SCRIPT SRC="//secure.adnxs.com/ttj?id=5227765&cb=[CACHEBUSTER]&referrer=telstar-online.nl&pubclick=[INSERT_CLICK_TAG]&postcode=263,264" TYPE="text/javascript"></SCRIPT>